Moestuinen hebben meer functies dan het kweken van groente. Natuurlijk, voor velen is het ontspanning: de geur van vochtige aarde, het gevoel van zon op je nek, het simpele genot van zaaien, schoffelen, oogsten. Het ritme van de seizoenen geeft houvast, een gevoel van orde in een wereld die vaak stuurloos lijkt. Maar voor Simon was de tuin meer geworden dan een plek om te werken of tot rust te komen. Het was een ruimte waar de tijd vertraagde, waar zijn gedachten stil werden. Waar het leven zelf, in al zijn eenvoud en diepte, een stem kreeg.
Hij had het vaker gedacht: hoe iets eenvoudigs als zaaien je tot nadenken bracht. Het ritme van de gieter, het geluid van de schop in de aarde, de stilte tussen het onkruid wieden — het werkte als een spiegel. De tuin vroeg niet om prestaties, niet om woorden, maar om aanwezigheid. Om aandacht. En als je lang genoeg bleef, werd je geconfronteerd met jezelf. Simon merkte het telkens opnieuw: hij ging anders van de tuin af dan hij erop was gekomen. Soms zelfs als een ander mens.
Zijn buurman op het complex, Dirk, noemde het steevast: tuintherapie. Een man van tegen de zeventig, met grijs haar dat altijd net te lang was, een gezicht vol lijnen die verhalen konden vertellen, en een blik die nergens voor week. Hij werkte rustig, met een zekere waardigheid, alsof hij zich niets liet opleggen — niet door onkruid, niet door mensen. Dirk sprak weinig, maar als hij iets zei, was het raak. Geen omwegen. Geen schijn.
Simon mocht hem wel. Misschien juist omdat Dirk niemand naar de mond praatte. Er was iets echts aan hem, iets wat zeldzaam geworden was in een tijd waarin iedereen vooral leek te willen deugen. Hun gesprekken gingen zelden over koetjes en kalfjes. Ze spraken over het weer, ja, maar al snel kwamen ze bij de dingen die eronder lagen: de wereld, de tijd, de mens. Dirk was uitgesproken. Hij geloofde niet in wat de media vertelden. Corona? “Overdreven.” Het virus, zei hij, was een vehikel voor macht. Hij had zijn zorgverzekering opgezegd, uit protest. “Ik vertrouw dat hele systeem niet meer,” zei hij op een avond, terwijl hij zittend op zijn tuinstoel naar de lucht keek. “Laat ze me maar met rust laten. Als ik ga, dan ga ik. Liever vrij sterven dan gebonden leven.”
Simon had hem toen aangekeken, gegraven in zijn woorden, gezocht naar iets om tegen te spreken. Maar hij vond het niet. “Je hebt overtuiging, Dirk. Dat kan niemand je afnemen,” had hij uiteindelijk gezegd, met een halve glimlach.
Toch voelde hij onrust. Vooral toen Dirk vertelde over zijn hart. “Het slaat soms op hol,” zei hij, alsof hij over een kruiwagen sprak die af en toe kantelde. De dokter had een operatie voorgesteld, maar Dirk had geweigerd. “Ze snijden me niet open. Punt.”
En alsof dat besluit het laatste woord was, viel er een stilte. De zon was die avond langzaam achter de populieren gezakt, het licht goud en traag. Alles leek gewoon. Alsof het leven nog jaren zo kon doorgaan.
Tot de volgende ochtend.
Simon hoorde het van een andere tuinier. Een jonge vrouw met een strooien hoed en modder op haar knieën. “Heb je het al gehoord?” vroeg ze zacht. “Dirk… hij is overleden. Gisteravond. Hier op de tuin. Gewoon in elkaar gezakt. Ze vonden hem met de gieter nog in zijn hand.”
Simon had niets gezegd. Alleen geknikt. Alsof zijn stem het gewicht van de woorden niet kon dragen. Die dag pakte hij zijn schep niet op. Hij liep. Langzaam. Langs de bedden met courgette en uien. Langs de lege plek waar Dirks aanwezigheid nog hing. Alles lag er nog zoals het was: de gieter op de grond, de stoel iets verschoven, een tuinboek open op een bladzijde over bemesting. De stilte was tastbaar. Alsof de lucht zelf even gestopt was met bewegen.
Hij ging zitten op het bankje bij het hek. Een windvlaag streek langs zijn gezicht. Geen geluid, geen stemmen. Alleen het ritselen van bladeren — alsof de bomen zachtjes ademhaalden. En toen voelde hij het. Niet als een klap, maar als een trage golf: verdriet. Niet rauw, niet snijdend, maar diep. Diep en vreemd.
“Waarom raakt dit me zo?” dacht hij. Ze waren geen vrienden geweest. Geen vertrouwelingen. En toch… er was iets in Dirk geweest dat hem had aangesproken. Zijn eigenzinnigheid. Zijn onbuigzaamheid. Zijn eenzaamheid, misschien vooral dat. Simon had hem in stilte bewonderd om zijn moed om alleen te staan, en tegelijk had hij de kwetsbaarheid gezien die erachter school.
Later die dag, thuis, pakte Simon zijn Bijbel. Niet uit gewoonte. Maar omdat hij houvast zocht. Woorden. Iets dat niet weggleed zoals zoveel meningen en gedachten in deze tijd.
Hij sloeg op goed geluk open bij Psalm 90.
“Leer ons zó onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart verkrijgen.”
(Psalm 90:12)
Hij las het. Nog eens. En nog eens.
Een wijs hart. Niet een hart vol controle, of zonder angst. Maar een hart dat weet van sterfelijkheid, en daarom kiest voor het echte leven. Een hart dat zacht blijft, terwijl de wereld verhardt. Dat keuzes maakt vanuit liefde, niet vanuit overleven.
Hij bad. Stil. Geen grote woorden. Alleen fluisterend, in zijn hoofd:
“Heere… Dirk had zijn keuzes. En U kent zijn hart. Leer mij leven met de wijsheid van de kwetsbaarheid. Laat mij de dagen die U mij geeft, niet verspelen in haast of zelfbescherming. En geef me de moed om niet alleen te zaaien met mijn handen, maar ook met mijn hart.”
avond liep hij nog één keer langs de tuin van Dirk. Alles stond stil. Maar onder het loof van de bonen bewoog iets. Een lichte trilling in het blad, een zachte fluistering in de wind. Alsof de tuin ademde.
En terwijl Simon daar stond, kwamen de herinneringen aan hun gesprekken weer boven. Soms, op lome zomeravonden of regenachtige voorjaarsdagen onder het afdak, had Dirk verhalen verteld over vroeger. Over zijn jeugd in een klein dorpje in Drenthe. Nieuw-Balinge, geloofde Simon dat hij eens genoemd had. Een vergeten plaats tussen de weilanden en het veen, waar iedereen elkaar kende en de tijd nog wat langzamer ging.
Hij was opgegroeid in wat hij zelf noemde een bondsgemeente van de Hervormde Kerk. Simon had die term niet meteen begrepen, maar Dirk legde het geduldig uit: “Niet zo strak als de Gereformeerde Gemeenten, maar we zongen nog psalmen met de berijming van 1773. Vroeger zongen ze thuis ook na de maaltijd, en werd er elke avond gelezen uit de Statenbijbel met kanttekeningen.”
Maar op een dag, vertelde Dirk, was zijn vader gestopt met naar de kerk gaan. Waarom precies, dat wist hij niet meer. Er waren spanningen geweest, dingen die gezegd of verzwegen waren. “Hij was er klaar mee,” zei Dirk eens met een mengeling van weemoed en verzet in zijn stem. “En toen ging mijn moeder ook niet meer. Met het geloof had zij niet zoveel meer, zei ze. En ik… ik volgde vanzelf.”
Maar telkens en telkens weer, merkte Simon op, kwam het geloof toch terug in hun gesprekken. Tussen de regels door. In een opmerking over rechtvaardigheid. In een vraag over de dood. In een verzuchting bij het zien van een kind dat een bloem plukte bij het hek. En soms, heel soms, als ze samen in de schemering het laatste licht zagen verdwijnen, viel er een woord over God. Over vroeger. Over wat waar kon zijn. Of waar ooit was geweest.
Simon dacht eraan terug toen hij die avond over het tuinpad liep, langs het stukje grond waar Dirk zijn laatste adem had uitgeblazen. Er lag geen dramatiek in de herinnering, alleen een stille, eerlijke vraag die zich aandiende als een druppel op een blad: Heb ik hem wel voldoende de boodschap van de Heere God verteld? Niet uit dwang of bewijsdrang. Maar gewoon, omdat het de diepste waarheid van zijn eigen leven was. Gods verlossende redding. Zijn genade voor wie Hem niet zoekt. Zijn nabijheid, ook voor wie zich teruggetrokken had.
Die vraag bleef in Simon hangen, als het laatste licht van de dag dat aarzelend bleef rusten op Dirks lege tuin. Hij wist het niet. Misschien had hij moeten spreken. Misschien was zwijgen juist genoeg geweest. Alleen God wist wat er in Dirks hart had gespeeld.
En toch, terwijl hij daar zat op het bankje bij het hek, met vuile handen en een hart dat iets stiller was geworden, voelde hij iets wat die twijfel overstemde. Niet zekerheid. Geen triomf. Maar vrede. Vrede die niet verklaard hoefde te worden.
De zon ging onder, goud en roestig tegelijk. De tuin was stiller dan ooit. Maar de stilte was niet leeg. Ze was gevuld met leven. Nieuw leven, dat nog onder de grond zat. Wachtend op het juiste moment om te breken — zacht, maar onstuitbaar.
Simon dacht: “De tuin leert wat woorden soms niet kunnen: dat leven en dood, vreugde en verlies, hoop en teleurstelling naast elkaar kunnen bestaan. In de aarde wordt alles begraven — niet om het kwijt te raken, maar om het terug te vinden in een andere vorm. Wie zaait met tranen, zaait niet voor niets. Zelfs afscheid kan vrucht dragen, als het gedragen wordt in het licht van vertrouwen.
En misschien is dat wel de diepste les van tuintherapie: dat elke verloren zaadkorrel iets in zich draagt wat groter is dan zichzelf — leven dat wacht op het juiste moment om op te staan.”
En Simon glimlachte. Niet omdat hij het begreep. Maar omdat hij voelde dat zelfs de dingen die onuitgesproken blijven, door God worden verstaan.
Reactie plaatsen
Reacties